Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ1950

Datum uitspraak2004-03-25
Datum gepubliceerd2004-08-20
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
ZittingsplaatsHaarlem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 03/58864
Statusgepubliceerd


Indicatie

Mvv-vereiste / hardheidsclausule / minderjarige. Verzoekster, van Chinese nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier met als doel gezinshereniging bij ouder(s) althans verblijf ter adoptie of als pleegkind bij haar voogdes. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er aanleiding is tot nader onderzoek van het door verzoekster ingenomen standpunt dat terugkeer naar China in dit geval leidt tot onbillijkheid. Daarbij weegt mee dat verweerder weliswaar kanttekeningen geplaatst heeft bij de juistheid van de stelling van verzoekster dat haar ouders haar hebben achtergelaten, maar dat de gezagsoverdracht aan haar voogdes door verweerder niet lijkt te worden betwist. Het had op de weg van verweerder gelegen om, alvorens te beslissen op de aanvraag die bij afwijzing mede tot gevolg heeft dat verzoekster zal worden uitgezet, eerst nader onderzoek te verrichten naar de gezagssituatie rond verzoekster en de stelling omtrent de onvindbaarheid van de ouders. De precieze gevolgen van uitzetting van dit minderjarige kind komen eerst dan voldoende in beeld en kunnen eerst dan genoegzaam in de beoordeling en belangenafweging worden betrokken. De voorzieningenrechter neemt daarbij ook in aanmerking dat verzoekster een veertienjarig kind is dat er destijds niet zelf voor gekozen heeft China te verlaten om niet rechtmatig in Nederland te gaan verblijven. Toewijzing verzoek.


Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage nevenvestigingsplaats Haarlem voorzieningenrechter U I T S P R A A K artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) reg.nr: AWB 03 / 58864 BEPTDN F inzake: A, geboren op [...] 1989, van Chinese nationaliteit, verzoekster, gemachtigde: drs. J.E. Groenenberg, juridisch medewerker te Hoofddorp, tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde: drs. F. Mountassir, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage. 1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING 1.1 Bij besluit van 23 oktober 2003 is afgewezen de aanvraag van verzoekster d.d. 29 juli 2003 tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier voor het doel: gezinshereniging bij ouder(s), althans verblijf ter adoptie of als pleegkind bij: B. Verzoekster heeft tegen dit besluit op 10 november 2003 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar de werking van het besluit niet opschort. 1.2 Bij verzoekschrift van 10 november 2003 heeft verzoekster verzocht te bepalen dat de werking van het besluit wordt opgeschort tot op het bezwaar is beslist. 1.3 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en tot ongegrondverklaring van het bezwaar met toepassing van artikel 78 Vw. 1.4 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 10 maart 2004. Verzoekster en haar voogdes, mevrouw S.W. Li zijn daar in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van verzoekster. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde. 2. OVERWEGINGEN 2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 Ingevolge artikel 73, eerste lid, Vw wordt de werking van het besluit tot afwijzing van de aanvraag opgeschort totdat de termijn voor het maken van bezwaar is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, totdat op het bezwaar is beslist. Ingevolge het tweede lid is het vorenstaande niet van toepassing, indien de aanvraag is afgewezen op de grond dat de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) die overeenkomt met het doel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. 2.3 Er is aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, indien verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat de werking van het besluit door het bezwaar niet wordt opgeschort. De in het kader van artikel 8:81 Awb te maken belangenafweging zal daarnaast in de regel nopen tot het treffen van een voorziening, indien naar voorlopig oordeel de afwijzing van de aanvraag in bezwaar geen stand kan houden. Aanleiding voor het treffen van een voorziening is er voorts, indien intreding van de rechtsgevolgen van het besluit – met name de daar uit voortvloeiende bevoegdheid voor verweerder tot uitzetting over te gaan – bij weging van de wederzijdse belangen vooralsnog achterwege moet blijven. 2.4 Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning bepaalde tijd regulier worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de vergunning is aangevraagd. In artikel 17 Vw en artikel 3.71, tweede lid, Vb zijn de categorieën vreemdelingen opgesomd aan wie het mvv-vereiste niet wordt tegengeworpen. Ingevolge het vierde lid van artikel 3.71 Vb kan verweerder afzien van afwijzing van de aanvraag wegens het niet beschikken over een mvv, voor zover afwijzing op die grond naar het oordeel van verweerder zal leiden tot onbillijkheden van overwegende aard; de zogenaamde hardheidsclausule. 2.5 Verweerder stelt zich op het standpunt dat in hetgeen door verzoekster is aangevoerd geen grond gevonden wordt om aan te nemen dat toepassing van artikel 3.71, eerste lid, Vb in dit geval leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Hetgeen verzoekster heeft gesteld aangaande het verbreken van het contact met haar natuurlijke ouders is niet dan wel volstrekt onvoldoende met feiten en omstandigheden onderbouwd dan wel met bewijsstukken aangetoond en leidt derhalve op voorhand niet tot vrijstelling van het mvv-vereiste. De stelling dat verzoekster hier te lande naar school gaat en dat zij bij terugkeer naar China voor de mvv-procedure een leerachterstand zou oplopen, dat verzoekster inmiddels geheel geïntegreerd is en dat zij geen huisvesting heeft in het land van herkomst, geven verweerder geen aanleiding af te zien van tegenwerping van het mvv-vereiste. Daartoe overweegt verweerder dat verzoekster het overgrote deel van haar leven in China heeft gewoond, niet is aangetoond dat mevrouw B verzoekster niet kan vergezellen naar China voor de mvv-procedure en dat uit onrechtmatig verblijf geen rechten voortvloeien. Verweerder overweegt voorts dat er geen sprake is van schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het niet vrijstellen van het mvv-vereiste betekent immers niet dat haar verblijf wordt ontnomen dat haar in staat stelde tot uitoefening van het gezinsleven hier te lande. Verweerder overweegt tenslotte dat het beroep op de artikelen van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) geen kans van slagen heeft. Voor zover de artikelen al rechtstreekse werking hebben, is aan die artikelen uitvoering gegeven in de Nederlandse wet- en regelgeving. 2.6 Namens verzoekster is hiertegen het volgende aangevoerd. Verzoekster heeft geen enkele band meer met China. Zij verblijft thans vijf jaar bij mevrouw B, haar voogdes, en gedurende deze periode heeft zij geen contact gehad met haar natuurlijke ouders. De gezinsband tussen verzoekster en haar natuurlijke ouders dient dan ook als verbroken te worden beschouwd. Er kan derhalve niet worden verlangd dat verzoekster bij terugkeer naar China door haar natuurlijke ouders kan worden opgevangen. Daarnaast zijn er geen overige familieleden of vrienden die haar kunnen opvangen. Mevrouw B is wegens werkzaamheden hier te lande niet in staat verzoekster naar China te vergezellen. Ten onrechte is dan ook nagelaten te onderzoeken wat de opvangmogelijkheden van verzoekster in China zijn. Indien verweerder vasthoudt aan het mvv-vereiste is verzoekster genoodzaakt om in China voor zichzelf te zorgen. Dit kan niet verwacht worden van een veertienjarig kind. Onder deze omstandigheden is het vasthouden aan het mvv-vereiste onevenredig hard. Voorts is aangevoerd dat verweerders besluit in strijd is met het IVRK, dat rechtstreekse werking heeft. 2.7 Op 9 maart 2004 heeft verzoekster de voorzieningenrechter nadere stukken doen toekomen. Het betreft een brief van de adjunct-sectordirecteur van de school van verzoekster van 8 maart 2004 en nadere gronden van het bezwaarschrift d.d. 9 maart 2004. In de brief van de adjunct-sectordirecteur wordt aangegeven dat het missen van lessen gedurende een langere periode tegen het schoolbelang is van verzoekster, nu zij daardoor een heel schooljaar zou verliezen. In de nadere gronden van het bezwaarschrift wordt in aanvulling op hetgeen hierboven reeds is weergegeven aangevoerd dat verweerder verzoekster ten onrechte niet heeft gehoord. 2.8 Ter zitting heeft verzoekster aangegeven dat zij op haar negende door haar ouders onverwacht in Nederland is achtergelaten bij mevrouw B, dat ze getracht heeft contact te zoeken met haar ouders, maar dat dit tot op heden niet is gelukt. Voorts in namens verzoekster aangegeven dat er thans stukken voorhanden zijn ter onderbouwing van de stelling dat mevrouw B een restaurant bezit en niet met verzoekster mee terug kan naar China om de mvv-procedure aldaar te doorlopen. 2.9 Verweerder heeft desgevraagd aangegeven dat de ter zitting naar voren gebrachte informatie niet leidt tot een ander standpunt dan hierboven reeds weergegeven. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. 2.10 Niet in geschil is dat verzoekster niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het doel waarvoor de verblijfsvergunning is gevraagd. Het geding spitst zich toe op de vraag of verweerder in de door verzoekster aangevoerde omstandigheden aanleiding had moeten zien toepassing te geven aan de hardheidsclausule neergelegd in artikel 3.71, vierde lid, Vb. 2.11 De door en namens verzoekster ter zitting naar voren gebrachte stellingen over het contact met de ouders van verzoekster en de aanwezigheid van stukken omtrent de onmogelijkheid voor mevrouw B verzoekster te vergezellen naar China, betreffen een nadere onderbouwing van de stelling dat verzoekster bij terugkeer naar China in een schrijnende situatie zou geraken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het gestelde aanleiding geeft tot nader onderzoek van het door verzoekster ingenomen standpunt dat terugkeer naar China in dit geval leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Daarbij weegt mee dat naar voorlopig oordeel verweerder weliswaar kanttekeningen geplaatst heeft bij de juistheid van de stelling van verzoekster dat haar ouders haar hebben ‘achtergelaten’, maar dat de gezagsoverdracht aan mevrouw B door verweerder niet lijkt te worden betwist. Bij die stand van zaken is er aanleiding voor het oordeel dat het, alvorens te beslissen op de navraag die bij afwijzing mede tot gevolg heeft dat verzoekster zal worden uitgezet, op de weg van verweerder had gelegen eerst nader onderzoek te verrichten naar de gezagssituatie rond verzoekster en de stelling omtrent de onvindbaarheid van de ouders. De precieze gevolgen van uitzetting van dit minderjarig kind komen eerst dan voldoende in beeld en kunnen eerst dan genoegzaam in de beoordeling en (belangen)afweging worden betrokken. De voorzieningenrechter heeft daarbij ook in aanmerking genomen dat verzoekster een veertienjarig kind is dat er destijds niet zelf voor gekozen heeft China te verlaten om niet rechtmatig in Nederland te gaan verblijven. 2.12 Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter, gelet op de betrokken belangen, aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. 2.13 De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 78 Vw. 2.14 In dit geval ziet de voorzieningenrechter aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). 2.15 De voorzieningenrechter ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb, te bepalen dat verweerder aan verzoeker het voor het verzoek om voorlopige voorziening betaalde griffierecht ad € 109,-- zal vergoeden. 3. BESLISSING De voorzieningenrechter: wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en schort de werking van het besluit op tot op het bezwaar is beslist; veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker moet voldoen; wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht ad € 109,--. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries- van den Heuvel, voorzieningenrechter, en uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2004, in tegenwoordigheid van mr. K. Gabela als griffier. afschrift verzonden op: 30 maart 2004 Coll: RECHTSMIDDEL Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.